Website orthopedagogiek

 Aanvraagformulier intelligentietest (capaciteitenonderzoek)
 
www.rijsimulatorlessen.nl (Autorijschool P. Eckhardt te Boxtel e.o.)
Kinderliedjes voor de kinderopvang, de peuter- en kleuterleid(st)ers
 

 


Voordat men de diagnose concentratiestoornissen kan stellen, zal de leerkracht eerst moeten nagaan of er sprake is van concentratiebelemmeringen.

Hij moet op zoek naar factoren die de concentratie van het kind negatief beļnvloeden.

De factoren kunnen liggen bij:

  1. De leerkracht
  2. De leerling
  3. De leerstof
  4. De omgeving

Ad. 1. De leerkracht;

De leerkracht kan het gemakkelijkst eerst zijn eigen rol onder de loep nemen. De leerkracht kan natuurlijk de "schuld" van de slechte concentratie bij een kind neerleggen, maar dat is niet altijd even eerlijk.

De leerkracht kan letten op:

  • Zijn manier van lesgeven wekt weinig belangstelling, weinig voorbereiding, chaotisch, eenzijdig;
  • De manier waarop hij beloont en vooral straft, is storend. De leerkracht waarschuwt voortdurend en op harde wijze sommige leerlingen. Dat voortdurend waarschuwen zorgt ervoor dat ook andere kinderen uit hun concentratie gehaald worden;
  • Hij stelt te hoge eisen aan de kinderen. De taken die de leerlingen krijgen zijn veel te groot en te moeilijk. De leerlingen kunnen hun concentratie daarom niet vasthouden.

Ad. 2. De leerling;

De leerling is in principe wel in staat tot een goede concentratie, maar niet op het moment:

  • Ziekte: De leerling is gewoon niet gezond (al of niet tijdelijk). Een kind is dan vaak eerder moe.
  • Emotionele problemen: Een kind dat piekert over zijn thuissituaties of zijn relatie met zijn klasgenoten. Een kind dat piekert, kan niet ook aan zijn werk denken.
  • Faalangst: Het kind concentreert zich meer op wat fout kan gaan, dan wat hij moet doen.

Ad. 3. De leerstof;

De leerkracht kan de manier waarop de leerstof geordend is onderzoeken:

  • Te saai, alleen maar tekst;
  • Te druk, veel plaatjes, veel verschillende tekstletters, plaatjes door de tekst heen.

Ad. 4. De omgeving;

In de omgeving kunnen veel afleidende prikkels zijn:

  • Lawaai in de klas, in de school. Niet alle lawaai is te vermijden. Een leerkracht die een kind extra instructie geeft, maakt geluid dat voor een ander kind natuurlijk wel hinderlijk kan zijn. Ook hoestende, lopende kinderen storen. Deze bronnen van lawaai zijn niet te vermijden. Zij horen bij een klas met lerende kinderen: leerruis. Aan deze vorm van lawaai zal een kind moeten wennen. Deze prikkels moet het kind eigenlijk niet selecteren. Zodra de "leerruis" te veel of te hard wordt, wordt het lawaai storend en een bron van concentratiemoeilijkheden.
  • De werkruimte. Indien in een klas veel kinderen zitten met concentratieproblemen is een onderzoek naar belemmerende factoren in de klas noodzakelijk, bv.:
  • Plaats in de klas. Veel kinderen met concentratieproblemen zitten om de tafel van de leerkracht. Vaak is dat een zeer druk plekje in de klas. Ook vlak naast of onder het bord is vaak een moeilijk plekje. Een kind hoort dan veel, maar ziet niets.
  • Hoeveelheid spulletjes op de tafel van een kind.
  • Verlichting in de klas.
  • Temperatuur in de klas: Bij een te hoge temperatuur daalt het concentratievermogen (20 graden is normaal.)
  • Ventilatie: Zorg steeds voor voldoende ventilatie bij elk type weer. De ventilatie deugt niet indien de ramen gaan beslaan. Er moet in de klas steeds een raam open zijn.
 
Concentratietesten
 
Bij een volledig onderzoek worden, als het kind ouder dan 6 jaar is concentratietesten afgenomen.
Bourdon-Vos: deze test meet de volgehouden aandacht (vanaf 6 jaar).
De Stroop-test: meet de selectieve aandacht (vanaf 8 jaar).
De Trail-making: meet de verdeelde aandacht (vanaf 9 jaar).
 
HOME (www.orthopedagogiek.com)

 

Home ] Up ]
Send mail to jpm.voets@orthopedagogiek.com with questions or comments about this web site.
Copyright © 1998
Last modified: 13/11/2016