Website orthopedagogiek

 Aanvraagformulier intelligentietest (capaciteitenonderzoek)
 

 


De kwaliteit van de normen van de RAKIT (Peter Tellegen: zie onderaan bronvermelding)

 Persoonlijkheidspsychologie en DifferentiŽle Psychologie

december 2002

De betekenis van de RAKIT

De RAKIT is een individuele algemene intelligentietest voor kinderen van vier jaar en twee maanden tot elf jaar en twee maanden (Bleichrodt, Resing, Drenth & Zaal, 1987; Bleichrodt, Drenth, Zaal & Resing, 1987). De test is genormeerd op een steekproef van in totaal 1415 personen. Samen met de SON-R tests behoort de RAKIT tot de best beoordeelde intelligentietests (Evers, van Vliet-Mulder & Groot, 2000). Op alle aspecten is de test indertijd door de COTAN als 'goed' beoordeeld. Ofschoon de normgegevens nu ongeveer twintig jaar oud zijn, en in dit opzicht verouderd zijn, is de test nog volop in gebruik. Voor de indicatiestelling in het kader van de leerlinggebonden financiering (Resing, Evers, Koomen, Pameijer, Bleichrodt & van Boxtel) heeft de RAKIT op grond van de sterk verouderde normen een B-kwalificatie gekregen (voldoende) in plaats van A (goed). Ten behoeve van de indicatiestelling voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs (RVC-VO) worden ook deugdelijke instrumenten geselecteerd. Aan deze lijst is dit jaar de RAKIT toegevoegd.

De normpopulatie van de RAKIT

Weinig bekend is waarschijnlijk dat de normpopulatie bij de RAKIT beperkt is tot leerlingen van basisscholen. Weliswaar was het bij de revisie van de AKIT de bedoeling om de test uit te breiden met deelpopulaties waaronder leerlingen van het speciaal onderwijs (Bleichrodt, Drenth, Zaal & Resing, 1984, p. 8), maar bij de normering zijn zij buiten beschouwing gebleven. Dit is merkwaardig aangezien in het hoofdstuk Normen expliciet wordt vermeld dat de normen vastgesteld dienen te worden op basis van een steekproef die representatief is voor de populatie waarvoor de test is bedoeld (Bleichrodt et al., 1984, p. 32).

Verwijzingsmogelijkheden bieden naar het speciaal onderwijs wordt als ťťn van de functies van de test genoemd. De normering is echter uitsluitend gebaseerd op leerlingen van het reguliere onderwijs hetgeen ook expliciet in de handleiding wordt vermeld. Bij de interpretatie van de IQ-scores wordt er door de auteurs daarentegen vanuit gegaan dat de IQ-verdeling van de RAKIT scores betrekking heeft op de gehele populatie, en niet alleen op de leerlingen van het basisonderwijs. Zo worden scores van 70-79 benoemt als 'debiel' en scores lager dan 70 als 'zwakzinnig' (Bleichrodt et al. 1987). Het lijkt echter niet aannemelijk dat de auteurs van mening zijn dat 10% van de leerlingen in het basisonderwijs debiel of zwakzinnig is. Elders melden de auteurs: "Inmiddels is deze test gereviseerd en genormeerd voor de Nederlandse populatie" (Resing, Bleichrodt & Drenth, 1986).

Om praktische redenen heeft men indertijd besloten om de afname van de RAKIT bij leerlingen van het speciaal onderwijs,  als een afzonderlijke fase in het onderzoek op te nemen (Bleichrodt et al, 1984, p.23). Blijkbaar hebben de auteurs zich niet gerealiseerd welke consequenties het heeft voor de normering, en voor de resulterende IQ-scores, indien het speciaal onderwijs buiten de normgroep blijft.

Het effect van leerlingen van het speciaal onderwijs op de testnormen

Van 6 tot 12 jaar neemt het percentage leerlingen in het speciaal onderwijs toe. Bij de normering van de WISC-R, die parallel verliep met de normering van de RAKIT, waren wel leerlingen van het speciaal onderwijs in de normgroep opgenomen. De verantwoording van de WISC-R vermeldt per leeftijdsjaar het percentage leerlingen in het speciaal onderwijs volgens de CBS gegevens. Bij de 6-jarigen is dit 1%, bij de 7-8 jarigen ruim 2%, bij de 9-10 jarigen ruim 4% en bij de 11-12 jarigen 4.5% (Vander Steene et al., 1986, p. 39). Bij de SON-R 5,5-17 was in de gehele leeftijdsgroep van 6-11 jaar het percentage leerlingen van het speciaal onderwijs in de normgroep 3%, voor de 9-10 jarigen was dit 4%.

Voor de RAKIT is voor de leeftijd van 9 en 10 jaar nagegaan wat het effect op de berekening van de IQ-scores zou zijn, indien in de normgroep leerlingen van het speciaal onderwijs waren opgenomen. Hierbij zijn we uitgegaan van 2% LOM-leerlingen en 2% MLK-leerlingen. Voor de RAKIT is een apart onderzoek uitgevoerd bij leerlingen van het speciaal onderwijs (Resing & Bleichrodt, 1993). Voor de 9-10 jarige LOM-leerlingen is het gemiddelde IQ 83.5. Voor de MLK-leerlingen van 9-10 jaar is het gemiddeld IQ 65 (spreiding ongeveer 11). Aangezien er een sterk bodemeffect is voor de MLK-leerlingen (heel veel leerlingen hebben de laagste IQ-score van 55) zijn we voor de berekeningen uitgegaan van een gemiddelde van 62.5 (spreiding 10) dat correspondeert met de mediaan.

Het gemiddeld IQ van de volledige normpopulatie zou zijn: .02 x 62.5 + .02 x 83.5 + .96 x 100 = 98.9. De huidige genormeerde IQ-scores leiden in de 'volledige' populatie tot een gemiddeld IQ dat ruim 1 punt te laag is. Dit heeft op zichzelf niet zulke ernstige consequenties. Het probleem is echter dat dit effect niet gelijk verdeeld is over de range van scores. De vertekening is zeer groot bij de lage IQ-scores en vrijwel afwezig bij bovengemiddelde scores. Hoe de huidige IQ-scores zouden veranderen bij een volledige normering is weergegeven in tabel 1. De berekening is gebaseerd op de aanname dat in de groepen LOM, MLK en basisschool de IQ-scores normaal zijn verdeeld met de volgende kenmerken: MLK (gem. 62.5; sd 10), LOM (gem. 83.5; sd 11) en basisschool (gem. 100; sd 15).

Tabel 1: relatie tussen huidig RAKIT-IQ en IQ bij volledige normgroep

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

huidig IQ        55        65        75        85        95        105      115      125      135      145      155

nieuw IQ        62        70        78        86        96        106      115      125      135      145      155

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

verandering     7.2       4.9       2.7       1.4       0.9       0.6       0.4       0.3       0.2       0.1        0.0

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------             

Praktische betekenis van de vertekening

In de IQ-range van 55 tot 80 is sprake van veranderingen in scores die variŽren van ruim 7 tot 2 IQ-punten. Dit is juist de range waarin verwijzingen naar het speciaal onderwijs plaatsvinden. Het feit dat deze groep in de normpopulatie ontbreekt, vertekent de intelligentieuitkomsten voor deze groep. Dit blijkt ook uit een vergelijking met de gemiddelde scores van leerlingen van het speciaal onderwijs in de leeftijd van 6-11 jaar die met de SON-R 5.5-17 zijn getest (Snijders, Tellegen en Laros, 1988). Bij de SON-R waren, evenals bij de WISC-R, leerlingen van het speciaal onderwijs in de normgroep opgenomen. Bij de SON-R is het gemiddelde IQ van de MLK-leerlingen 75.1 (n=11) en het gemiddelde van de LOM-leerlingen 91.3 (n=15). Het verschil met de RAKIT (MLK gemiddeld 62.5 en LOM gemiddeld 83.5) wordt een stuk kleiner indien met het effect van de afwijkende normering rekening wordt gehouden.

Discussie

Dat de normpopulatie van de RAKIT geen leerlingen bevat van het speciaal onderwijs, en in dat opzicht niet representatief is voor de populatie Nederlandse kinderen in de leeftijd van 6 tot 11 jaar heeft gemiddeld genomen een negatief effect van ruim 1 punt op de IQ-scores. Het effect is echter ongelijk verdeeld, in de range van lage scores neemt het toe tot 7 IQ-punten. Een kind dat met de RAKIT-normen een IQ van 66 behaalt, zou bij een goede normering een IQ krijgen van 71. In de voorgestelde terminologie van Resing en Blok (2002) het onderscheid tussen licht zwakzinnig en moeilijk lerend of laag begaafd.

Tegenwoordig wordt aan de representativiteit van de steekproef door de COTAN groot gewicht toegekend bij de beoordeling van de normen. Voor een intelligentietest die blijkens de betekenis die aan het IQ wordt gehecht, representatief zou moeten zijn voor de bevolking van de relevante leeftijd, zou de wijze van steekproeftrekking bij de RAKIT volgens de huidige criteria voor testbeoordeling (COTAN, 1997) voor de normen resulteren in het oordeel 'onvoldoende'. Daarnaast zijn er nog twee grote problemen bij de normen van de RAKIT. De leeftijdsgroepen zijn voor de normering steeds per vier maanden genomen hetgeen voor de jongere kinderen resulteert in systematische afwijkingen van +/- 4 IQ-punten indien de testafname plaats heeft rond de grens van het leeftijdsinterval. Tenslotte is de normering sterk verouderd aangezien de normgegevens bijna 20 jaar geleden werden verzameld. Dit kan resulteren in systematische afwijkingen van ongeveer 6 IQ-punten. (zie: Flynn-effect)

De RAKIT is in velerlei opzicht een goede en interessante test. De test neemt enigszins een middenpositie in ten opzichte van de SON-R tests en de Wechslertests. Voor de diagnostiek is het gewenst dat verschillende goede intelligentietests naast elkaar beschikbaar zijn. Het is daarom een goede zaak dat plannen lijken te bestaan de RAKIT te hernormeren en mogelijk ook in andere opzichten te reviseren. Tot die tijd moet het gebruik van de RAKIT voor diagnostiek en indicatiestelling echter ernstig worden ontraden. De problemen met de normen zijn velerlei en het gecombineerd effect hiervan is voor de testgebruiker moeilijk in te schatten. 

 

Note: de WISC RN is inmiddels vervangen door de WISC III 2002

 

Literatuur

Bleichrodt, N., Drenth, P.J.D., Zaal, J.N. & Resing, W.C.M. (1984). Revisie Amsterdamse Kinder Intelligentietest. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Bleichrodt, N., Drenth, P.J.D., Zaal, J.N. & Resing, W.C.M. (1987). RAKIT Handleiding bij de Revisie Amsterdamse Kinder Intelligentie Test. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Bleichrodt, N., Resing, W.C.M., Drenth, P.J.D. & Zaal, J.N. (1987). Intelligentie-meting bij Kinderen. Lisse: Swets & Zeitlinger.

COTAN (1997). Beoordelingssysteem voor de Kwaliteit van Tests. Amsterdam: Cotan/NIP.

Evers, A., van Vliet-Mulder, J.C. & Groot, C.J. (2000). Documentatie van Tests en Testresearch in Nederland. Assen: NIP/Van Gorcum.

Resing, W.C.M. et al. (2002). Indicatiestelling: Condities en Instrumentarium in het kader van de leerlinggebonden financiering. Amsterdam: NDC-Boom.

Resing, W.C.M. & Bleichrodt, N. (1993). RAKIT Diagnostiek in het speciaal onderwijs. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Resing, W.C.M. & Blok, J. (2002). De classificatie van intelligentiescores. De Psycholoog, 37, 244-249.

Resing, W.C.M., Bleichrodt, N. & Drenth, P.J.D. (1986). Het gebruik van de RAKIT bij allochtoon etnische groepen. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 41, 179-188.

Snijders, J.Th.,Tellegen, P.J. & Laros, J.A. (1988). Snijders-Oomen niet-verbale intelligentietest Son-R 5.5-17. Verantwoording en Handleiding. Groningen: Wolters-Noordhoff.

Vander Steene, G. et al. (1986). WISC-R Nederlandstalige uitgave. Verantwoording. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Bron: www.testresearch.nl

POSITIEF COTAN-OORDEEL OVER DE RAKIT-2

Positief COTAN-oordeel over de RAKIT-2
24 jul. 2013

Wij zijn verheugd te melden dat de RAKIT-2, een kinderintelligentietest die het cognitief functioneren (IQ) in kaart brengt van kinderen in de basisschoolleeftijd, een positieve beoordeling van de COTAN heeft ontvangen. Het oordeel over de RAKIT-2 staat hieronder omschreven, inclusief toelichting van de COTAN en uitleg vanuit Pearson.

 Beoordeling RAKIT-2

1.  Uitgangspunten bij de testconstructie: Goed
2.  Kwaliteit van het testmateriaal: Goed
3.  Kwaliteit van de handleiding: Goed
4.  Normen: Voldoende 1,2
5.  Betrouwbaarheid: Goed 3
6.  Begripsvaliditeit: Voldoende
7.  Criteriumvaliditeit: Goed

1 Deze beoordeling betreft uitsluitend de Nederlandse normen.

Deze kanttekening is geplaatst omdat er bij de RAKIT-2 sprake is van aparte Nederlandse en Vlaamse normen en de Cotan zich alleen over de Nederlandse situatie buigt.

2 Vanwege een hogere standaardfout is voorzichtigheid geboden bij het gebruik voor kinderen in de uiterste leeftijdsgroepen. Tevens is bij de leeftijdsgroep 12;0 tot 12;6 het aantal leerlingen te gering en is de representativiteit niet gewaarborgd omdat er geen leerlingen uit het voortgezet onderwijs aan het onderzoek hebben deelgenomen.

Het instrument mag dan ook alleen bij 12-12,5 jarigen in het basisonderwijs ingezet worden.

3 De betrouwbaarheden van het IQ, ook het verkorte IQ, zijn goed voor belangrijke beslissingen op individueel niveau. Voor minder belangrijke beslissingen op individueel niveau zijn de betrouwbaarheden van de factorscores goed en van de subtests voldoende tot goed, met uitzondering van de subtests Schijven en Vertelplaat, waarvan de betrouwbaarheden bij sommige leeftijdsgroepen onvoldoende zijn.

Aparte subtests mogen dan ook niet los gebruikt worden om beslissingen op te baseren.

Meer informatie over het oordeel is te vinden op cotandocumentatie.nl.

 

 

 

Home ] Up ]
Send mail to jpm.voets@orthopedagogiek.com with questions or comments about this web site.
Copyright © 1998
Last modified: 22/9/2017