Website orthopedagogiek

 Aanvraagformulier intelligentietest (capaciteitenonderzoek)
 

 


 VERANTWOORDING BIJ  DE LIJST VAN TOEGESTANE  INSTRUMENTEN VOOR DE VERWIJZING  NAAR LWOO/PrO VOOR HET SCHOOLJAAR 2010-2011

 1. Inleiding

 In haar vergadering van RVC-VO Landelijk van juni 2008 is besloten om de verantwoording van de nieuwe lijst voor het schooljaar 2010-2011 te beperken tot het vermelden van relevante nieuwe zaken voor zover het de traditionele hoofdstukken 1 t/m 6 betreft en ons verder te beperken tot het traditionele hoofdstuk 7 waarin de veranderingen in de nieuwe lijst tegenover de oude lijst verantwoord worden. Alvorens op hoofdstuk 7 over te gaan, eerst 2 punten die nieuw aan de orde zijn in dit jaar.

Ten eerste moeten we het hebben over de dataverzameling waarop de commissie zich baseert. Zo is er weer uitvoerig in de database van de RVC-webapplicatie onderzocht hoe de diverse instrumenten zich gedragen ten opzichte van elkaar. En ook is er een mini-enquête gehouden over IQ-tests bij de samenwerkingsverbanden.

Ten tweede is de certificeringscommissie aan de extra opdracht over handelingsgerichte indicatiestelling begonnen. Hoewel het eigenlijke werk pas vooral in de tweede helft van het jaar zijn beslag zal krijgen, willen we toch nu en op deze plek al enige opmerkingen over deze materie kwijt.

 2.1. Onderzoek in de data base

 Dit jaar hebben we het onderzoek in de database toegesneden op de vraag of het veld zich qua gedrag heeft aangepast nu de normen voor het toetsen van de leervaardigheid zijn bijgesteld en geëxpliciteerd in die zin dat er in het geval van CITO toetsen doorgetoetst moet worden wanneer de toetsscores en de bij de toets horende didactische leeftijd te ver uit elkaar liggen. Dit spreekt des te meer wanneer men beseft dat de zgn. normentabel van 2003 volgens het CITO niet bestaat, maar dat het hier simpel gaat om een tabel met correlaties tussen toetsversies en dat de daarvan af te leiden normen ook nooit bij de COTAN zijn geweest.

Ook zijn er normen gesteld waaraan de leerling qua leesvaardigheid moet voldoen wil hem een schriftelijke test (IQ dan wel een sociaal emotionele vragenlijst) mogen worden afgenomen.

Op al deze aspecten wordt hieronder nader ingegaan.

 Schoolprestaties

a. Technisch lezen (tl). Voor technisch lezen kunnen we vaststellen, dat slechts 66% van de toetsversies zich binnen de acceptabele range bevinden zoals we die voor vorig jaar al hebben vastgesteld. Gelukkig wordt deze CITO-toets niet zo veel gebruikt (het gaat hier eigenlijk om een toets over -zij het primitief -begrijpend lezen). Over het totaal van de tl toetsen valt het dus nog wel mee: zo’n 300 van de 30000 leerlingen worden niet adequaat getoetst.

b. Begrijpend lezen (bl). Meer nog dan voor tl wordt door de leerkracht de vaardigheid bl ervaren als een vaardigheid waarvan de ontwikkeling niet volgens leerlijnen zou verlopen. Zoals we vorig jaar al vaststelden wijkt men voor de toetsing bij bl nogal sterk af van de norm zoals die door ons vorig jaar is vastgesteld. Toen bewoog de testafname zich slechts voor 58% binnen de toch royaal gestelde norm. Hierin is schoorvoetend enige verbetering opgetreden. We komen nu op bijna 63%.  Op zo’n 14.000 leerlingen die met de CITO toets zijn gemeten betekent dit dat meer dan 5000 leerlingen niet adequaat zijn getoetst, dwz. met toetsen die meer dan een leerjaar te makkelijk (600 toetsversies) of te moeilijk (4500 toetsversies) zijn. Het gaat weliswaar om een verbetering hier. Maar die is wat de commissie betreft te klein en te langzaam.

c. Spelling. Als er iets een “learnable”is in de taalvakken dan is het wel de spelling. Het vak is daardoor ook makkelijker in leerlijnen te vangen. De noodzaak om dan ingetuned te toetsen is in dat geval dan ook zeer groot. Dit is in de praktijk te zien. Het op zich al vrij hoge percentage van adaptief toetsen (72) steeg naar 77%. De stijging is ook hier vooral te danken aan de afname van te moeilijke toetsversies (van 24,5 naar 18.8 percent).

d. Inzichtelijk rekenen. Rekenen is wel het schoolvak met de meest geëxpliciteerde leerlijnen en leerstappen. Weliswaar passen de leerstappen binnen de logica van de volwassenen en is het maar afwachten of dit met die van het kind overeenstemt. Maar toch: als een leerstap niet is aangeboden mag men er ook niet van uitgaan, dat een leerling die stap in voldoende mate beheerst. De praktijk voelde dit al redelijk goed aan. Vorig jaar stelden we al vast dat men zich met een percentage van 76% al aardig aan de norm hield. Nu is dit percentage nog eens gestegen en wel naar 81,3 percent. We komen daarmee aardig in de buurt van wat we beogen: doortoetsen als de uitslagen niet passen binnen het totale plaatje.

Conclusie: Als we bedenken, dat we naast de kwaliteitsbeoordeling in termen van ”aanraden” tot en met “ten sterkste afraden” ook enige soepelheid geadviseerd hebben (waar mogelijk en verantwoord) dan vallen met name de cijfers voor rekenen en in iets geringere mate die voor spelling mee.

 IQ tests.

Ook voor IQ tests hebben we geprobeerd de normen voor het al dan niet gebruiken van klassikale schriftelijke tests i.p.v. individueel af te nemen tests wat te expliciteren. Zo zou men als de leesprestaties zo’n 50% achterblijven of meer naar een mondelinge/individuele test uit moeten zien. Dit is zeer vaak het geval voor leerlingen met een beoogde PrO-indicatie. Ook ingeval vermoed mag worden dat er taalproblematiek en problematiek van tweetaligheid in het geding is, zou men naar individuele alternatieven uit moeten kijken. Ook hier werd weer enige ruimhartigheid – voor zover verantwoord-  bepleit. Ook voor het gebruik van de IQ tests kunnen we vaststellen, dat het gebruik ervan – zij het slechts licht-  is veranderd. De individuele en/of nonverbale tests zijn in het gebruik van 9 naar 10% gestegen. Dit is vooral te danken aan het toegenomen gebruik van de WISC (van 6 naar 8 percent). Een ander effect speelt zich af rond de NDT. Op goede gronden hebben we vastgesteld, dat de NDT zich –kijkend naar de leerachterstanden – meer gedroeg zoals de WISC en minder zoals de NIO. Daarom is aan de NDT voor de categorie PrO een hogere waardering gegeven. Dit leidde tot een toegenomen gebruik van 17,8 naar 21,4 percent. Beide genoemde veranderingen gaan vooral ten koste van de NIO die echter nog steeds met stip het meest gebruikt wordt.

Conclusie: over het geheel genomen is er niet zoveel spectaculairs veranderd. Men is er nog steeds niet toe gekomen vaker een betrouwbaarder alternatief te kiezen, waar de aanpalende Commissie voor Indicatiestelling voor het REC dit wel verlangt. Een dikke 30 percent van de aangemelde leerlingen heeft een PrO- Indicatie, en slechts 10 percent is met een aangeraden IQ instrument onderzocht. Komt men bij de leerprestaties als het er om spant op een 75% goed gemeten prestaties, bij het IQ is dat slechts 30%. Jammer.

 Sociaal emotionele vragenlijsten.

In de instrumentenlijst voor de sociaal emotionele problematiek zijn twee aanbevelingen gedaan in verband met zelfbeoordelingvragenlijsten: bij een begrijpend leesniveau van DLE < 30 werd ten sterkste afgeraden om een zelfbeoordelingvragenlijst te gebruiken en om op het gebruik van een andere methodiek over te gaan. Ingeval van een begrijpend leesniveau van tussen de 30 en de 40 werd aangeraden een andersoortig instrument te zoeken, d.w.z.: oudervragenlijsten, leerkrachtenvragenlijsten, observaties en/of gegevens uit het OKR.

We hebben in de data base vastgesteld:

a. voor leerlingen met een leesniveau lager dan eind groep 5 (DLE <30) wordt in 70% van de gevalleneen zelfbeoordelingvragenlijst ingezet en in slechts 30% een lijst voor ouders of leerkrachten. Als er daarnaast nog een tweede vragenlijst werd ingevuld, was die voor 55% ingevuld door een volwassene en dus in 45% van de gevallen door de leerlingen. Van de 1375 leerlingen in deze categorie (90 < IQ < 120 en begrijpend leesniveau lager dan eind groep 5) hebben we van 627leerlingen alleen een, twee of drie zelfbeoordelinglijsten ter beschikking, zonder aanvullende informatie.

b) voor de leerlingen met een leesniveau van groep 6 (DLE tussen 31 en 40) stellen we vast dat 65% een zelfbeoordelinglijst hebben ingevuld (merkwaardig:  een lager percentage dan bij de groep onder a.)  Het gaat hier om in totaal 2300 leerlingen met een leesniveau van groep 6. In een aantal gevallen is ook nog een tweede of derde lijst gehanteerd. Uiteindelijk moeten we vaststellen, dat van de 2300 leerlingen  1080 leerlingen een of meerdere zelfbeoordelinglijsten hebben ingevuld zonder dat andere informatie voorhanden was. Van zo’n 47% zijn m.a.w. de SE gegevens niet betrouwbaar.

Tot slot, van de 2450 leerlingen met een intelligentie tussen 90 en 120 die over een slechts  zwak leesvermogen beschikken hebben we in bijna de helft van de gevallen met uitspraken over leerlingen te maken die niet betrouwbaar zijn.

 Een uitkomst die ons tot nadenken zou moet stemmen.

 2.2  Een enquête over IQ-tests

Tijdens haar beraadslagingen over de IQ-tests in de lijst werd het de commissie duidelijk, dat de positievere positionering van de NDT met betrekking tot de PrO categorie, het positieve effect had dat de NDT voor deze categorie vaker gebruikt werd. Ook bracht het met zich mee, dat de test vaker gebruikt werd voor de LWOO categorie. En hierover leek men in het veld minder tevreden. Men  stelde, dat de NDT slechter presteerde dan de andere klassikale tests, namelijk hogere scores opleverde. En we weten dat hierdoor vaker aanvullend onderzoek naar het sociaal emotioneel functioneren van de leerling moet worden gedaan.

Er werd besloten een enquête richting de samenwerkingsverbanden te versturen met als eerste vraag, of men geen, weinig  of veel ervaring had met het gebruik van de NDT en wanneer men ervaring had, vraag 2: of men vond dat de NDT het in vergelijking met andere klassikale tests beter slechter of vergelijkbaar deed binnen het bereik van de potentiële PrO leerling en als derde vraag of men vond dat de NDT het in vergelijking met de andere klassikale tests beter, slechter of vergelijkbaar deed in het gebied van en  IQ van boven de 80. Bij de beantwoording werd men tevens uitgenodigd opmerkingen te maken. De respons was hoog en daarvan had een meerderheid ervaring met de NDT. Daarbij bleek het dat men (= 65% van de respondenten met ervaring met de NDT) over de NDT vond dat hij hoger scoort in de lagere regionen dan de concurrerende klassikale tests.  Dit is in overeenstemming met wat we vonden in de data base. De NDT geeft hier scores te zien die beter aansluiten bij individuele tests en bij de leerprestaties van de leerlingen. Tevens stelden de ervaren respondenten (80%) dat men overwegend negatief was in dezen waar het de IQ’s boven de 80 betrof.

Het blijkt nog steeds zo te zijn dat gebruikers vinden dat de NDT aan de hoge kant scoort. In de lagere regionen is dat prima omdat al eens is aangetoond, dat daar de andere klassikale tests wat aan de (te) lage kant scoren. (Verantwoording, 2008). Aan de bovenkant komt dat vervelender uit, wanneer de scores boven de 90 uitkomen en men verplicht wordt sociaal emotionele problematiek aan te tonen. Wanneer leerachterstanden in dat geval wel degelijk en vooral door lage cognitieve mogelijkheden worden veroorzaakt en niet zozeer door SE aspecten, kan men met het gebruik van de NDT in de problemen komen. De hier gevonden uitslagen zullen hun consequenties moeten hebben voor de lijst. We komen in hoofdstuk 4 uiteraard hierop terug

3.  Handelingsgerichte diagnostiek

In het kader van de ontwikkelingen binnen passend onderwijs die hun beslag zullen krijgen vanaf 2011 zullen handelingsgerichte diagnostiek en indicering een kernthema uit gaan maken van de onderwijsvernieuwing. De certificeringscommissie heeft de opdracht gekregen de mogelijkheden van de handelingsgerichte diagnostiek (HGD)  in het kader van de lijstsamenstelling te bekijken. De commissie heeft hiermee reeds een begin gemaakt, maar zal zich vooral met de uitvoering van deze taak bezighouden in de tweede helft van het jaar.

Wel heeft ze al een aantal afspraken gemaakt over hoe met deze problematiek om te gaan. We zijn van plan de ter beschikking staande diagnostische instrumenten op de volgende aspecten te screenen op hun mogelijkheden en onmogelijkheden.

Ten eerste blijven we ons uitgangspunt trouw, dat we in eerste instantie ons beperken tot door de COTAN positief beoordeelde instrumenten. Weliswaar zijn er een aantal instrumenten aan te wijzen die juist pretenderen vooral handelingsgericht te toetsen en dat ook waarmaken, maar die hebben vaak een aantal tekortkomingen blijkens COTAN rapportages.

            Ten tweede dient de test/toets in staat te zijn een uitspraak te doen over de diverse onderlinge facetten die tot een bepaalde vaardigheid of persoonlijkheidsaspect behoren. Zo maakt het nogal wat uit of vooral automatiseringsaspecten in het rekenen of inzicht in rekenproblematiek aan de orde is, of vooral op het microniveau leesproblemen bestaan of ook bij het globale tekstinzicht. Of de leerling het woordbeeld onvoldoende geautomatiseerd heeft of dat de variabele spelling (d, dt, t etc.) niet beheerst wordt.

            Ten derde is inzicht in de diverse aspecten van een vaardigheid niet genoeg, aangezien vanuit dit inzicht de behandelaar/leerkracht e.d. in staat moet zijn om met het kind aansluitend op de aangetroffen problematiek met de juiste didactiek en inhouden aan de slag te gaan.

            Ten vierde moet men zich afvragen of bij de onderhavige leerling het werken aan bepaalde (sub)vaardigheden nog wel zin heeft en of een rekenmachine of daisy-speler niet een adequatere hulp is. Ervan uitgaande, dat het cognitieve vermogen van de leerling niet alleen afdoende met een IQ-meting kan worden bepaald, maar dat die test ook voorzichtig enig inzicht zou moeten kunnen bieden in wat wel in het onderwijs haalbaar is en wat niet; hierdoor zou men beter ingetunede  hulp voor de leerling mogelijk moeten kunnen maken.

            Ten slotte zouden de instrumenten voor het vaststellen van sociaal emotionele problematiek niet alleen op het vaststellen moeten worden bekeken, maar zou ook moeten worden bekeken in welke mate het instrument inzichten verschaft in hoe pedagogisch te handelen en te interveniëren.

Nu kan al worden vastgesteld, dat het hier om een omvangrijke en gecompliceerde opgave gaat, die niet zo maar in een jaar op te lossen is. We hopen een hoopvol begin te kunnen maken.

4.  Verantwoording van die aspecten van de lijst die afwijken van die van vorig jaar (te lezen als hoofdstuk 7 van de Verantwoording van vorig jaar.)

Overal waar volstaan kan worden met de criteria die in de Verantwoording van vorig jaar in paragraaf 4 zijn uitgewerkt zal in de Verantwoording van dit jaar voorbij gegaan worden.  Alleen wanneer er iets nieuws of bijzonders aan de hand is in vergelijking met vorig jaar (een nieuwe test/toets, het niet meer voorkomen van een instrument op de lijst, een opmerking, een andere beoordeling van 0 t/m IV, zal daar hier gewag van worden gemaakt.

4.1.  De intelligentietests

Er zijn slechts een paar zaken veranderd ten opzichte van de Instrumentenlijst van vorig jaar.

1. De NDT.

Zoals in 2.2. al is uiteengezet, werd er onder de samenwerkingsverbanden een enquête gehouden over de relatieve tevredenheid met de NDT. Het bleek, dat men nog steeds met hetzelfde probleem zit als wat een aantal jaren geleden al onderzocht en gevonden is (De Greef & Van der Geest, 2005) : De NDT heeft de neiging zich wat anders te gedragen bij onze doelgroep, dan de andere IQ-tests, met name de klassikale tests. De test lijkt wat hogere scores op te leveren over de hele lijn van IQ 55 t/m 120. Dit is prettig voor wat betreft de onderkant van het spectrum. Daarom kreeg De NDT voor de PrO-categorie vorig jaar dan ook de voor klassikale tests gunstigere score III. De commissie heeft gemeend de op zich stevige uitslagen van de enquête te moeten honoreren voor wat het LWOO betreft. Daarom heeft zij voor de LWOO categorie gemeend ook een (maar nu minder gunstige) waardering III te moeten verstrekken. Voor de PrO categorie blijft ze bij haar eerdere oordeel (zie hierboven).

2. De WISC-III

De WISC III heeft nog steeds geen voldoende of meer gehaald voor criteriumvaliditeit. Enerzijds is het onvoorstelbaar dat een uitgever een test in de markt zet waarbij een dergelijke beoordeling ontbreekt. Anderzijds is een test als deze onontbeerlijk in onze lijst omdat het a. hier om een individuele test gaat die b. een rijkdom aan diagnostische informatie oplevert; die informatie zal zeker onontbeerlijk blijken wanneer we omschakelen op handelingsgerichte diagnostiek. We zullen de WISC III dan ook weer op de lijst plaatsen en de uitgever en auteurs maar weer eens op hun morele plicht wijzen het afrondende onderzoek nu eindelijk eens uit te voeren.

In afwijking met voorgaande jaren is ook een verkorte versie toegestaan, waarbij de aanvullende optionele subtests 11 en 13 worden weggelaten, aangezien die voor het totale IQ en het performale en verbale aspect geen medebepalende waarde hebben.

3. WNV-NL

Op het scheiden van de markt heeft de Cotan positief geoordeeld over de Nederlandse bewerking van de Wechsler Nonverbal Scale of Ability (WNV-NL). De beoordeling valt heel erg goed uit.  Hij kan als een goed alternatief dienen voor de Verkorte SON en vooral de SON-R. Deze laatste heeft namelijk sterk verouderde normen. Aangezien er bij gebruikers nog geen tevredenheidsonderzoek heeft plaatsgevonden is de beoordeling voor dit jaar 0 voor zowel LWOO als PrO

4. Intelligentietest Eindtoets basisonderwijs(Cito)

Hoewel de commissie het een goede ontwikkeling vindt dat testconstructeurs op de 3 gebieden voor de indicatiestelling samenhangend actief zijn (VISEON gegevens koppelen aan uitkomsten van lvs-toetsen e.d.)  is de Intelligentietest Eindtoets Basisonderwijs van het Cito voor onze doelstelling minder geschikt. Het blijkt namelijk dat de normen voor deze test zijn ontleend aan de leerlingen die aan de eindtoets basisonderwijs hebben deelgenomen. Oftewel, dat alle sbao leerlingen en opstromers uit de RECs buiten de boot vallen. Ook het merendeel van de leerlingen uit onze doelgroep op de gewone basisschool doet al sinds jaar en dag nauwelijks mee aan de CITO-eindtoets omdat die voor hen te moeilijk zou zijn. Dit houdt in dat de normen wel eens veel te hoog voor onze leerlingen uit zouden kunnen vallen. Om met name deze laatste reden zullen we op dit moment niet tot plaatsing op de lijst overgaan.

5. TPVO-IVO, NSCCT en Drempeltest

De genoemde tests worden blijkens de data base nog steeds weinig gebruikt. Dit betekent dat de beoordelingen van resp. 0 en IV gehandhaafd blijven. Elk jaar stelt de commissie zich overigens weer de vraag of we tests die jarenlang niet of nauwelijks gebruikt worden wel op de lijst moeten handhaven.

4.2  De toegestane instrumenten voor het criterium SE

AVL:ADHD

De AVL:ADHD wordt zeer weinig gebruikt (in plm. 1 op de 200 gevallen waar nader aanvullend onderzoek nodig is.) Verder moet men stellen, dat de vragenlijst nauwelijks op de problematiek toegesneden is die in de regeling wordt genoemd: faalangst, motivatie en emotionele instabiliteit. Tenslotte verdient nog eens vermelding dat gebruikers zich in het verleden overwegend negatief hebben uitgelaten over deze lijst. De commissie vindt dan ook de tijd gekomen, de AVL:ADHD voor het laatst toe te staan.

PMT-K

De PMT-K krijgt al een aantal jaren de opmerking mee, dat hij dit jaar voor het laatst is toegestaan. De onderliggende theorie is verouderd, de normen zijn zeer verouderd, zodat de COTAN in haar nieuwe regime een onvoldoende beoordeling uitspreekt of zou uitspreken. Toch wordt deze vragenlijst nog veelvuldig gebruikt. In het laatste jaar nog in 40% van de gevallen. Dit komt omdat de lijst zich bezighoudt (als enige) met een voor ons essentieel thema, de leermotivatie. Zolang we geen voldoende alternatief hebben, zijn we eigenlijk praktisch op de PMT-K aangewezen. Dit jaar doemde er een alternatief op in de vorm van de LeerMotivatieTest, 2009. Deze test, dekt ongeveer de zelfde SE categorieën als die van de Regeling en die van de PMT-K: zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen, sociale wenselijkheid en leermotivatie. Hieronder zitten zaken verstopt als faalangst e.d. Alleen zag de theorie er een stuk recenter uit (the big five revival) . Het ziet er echter niet naar uit dat de Cotan en de testmakers voor 1 juni 2009 tot een afrondend voor ons bevredigend oordeel komen. Vandaar dat we nog minstens 1 keer voor het laatste jaar de PMT-K moeten toestaan. Tenzij… De uitgever heeft ons namelijk meegedeeld dat ze van plan zijn de verouderde normen te herzien. In dat geval zullen ze ook moeten bezien in hoeverre de theoretische achtergronden anno 2009 nog bruikbaar zijn.

SVL (2008)

Voor deze test is in de opmerking dat zowel de A als de B versie afgenomen moet worden vervallen. Men kan dus met een van beide volstaan, aangezien beide versies afzonderlijk nu als betrouwbaar genoeg bevonden zijn.

NPV-J (2005)

De nieuwe versie van de NPV-J is ook nu weer de meest gebruikte vragenlijst. Hij wordt in meer dan 50% van de gevallen waarin aanvullend SE onderzoek moet worden uitgevoerd ingezet. Men mag hieruit concluderen, dat uit deze voorkeur voor de NPV-J ook tevredenheid met dit instrument spreekt. Het lijkt dan ook niet noodzakelijk om eerst een tevredenheidsonderzoek en geschiktheidsonderzoek uit te voeren alvorens tot een oordeel I te komen.

SSAT (1995)

De “Situatie Specifieke Angst Test van 1995 heeft naast verouderde normen bijna geen afnemers in ons gebied. Om precies te zijn is  hij 2 keer gebruikt op 1600 gevallen. Daarnaast had hij al een ontevredenheidscore die tot beoordeling III heeft geleid.  Tenslotte meet hij niet exact datgene waarnaar in de Regeling wordt gevraagd. Het is duidelijk dat er geen behoeft aan deze test bestaat en dat we hem dit jaar voor het laatst opnemen.

TPVO-leerlingenvragenlijst (2008)

Deze vragenlijst van de TPVO is door de Cotan met voldoende of meer beoordeeld en wordt dus opgenomen in de lijst met de beoordeling 0. Hij is als een tegenhanger van AVL en DVL te beschouwen.  Door beide uitkomsten aan elkaar te confronteren krijgt men een completer beeld van de leerling.

TPVO Docentenvragenlijst (2008)

Deze vragenlijst is als de internetversie van de DVL en AVL te beschouwen. Hij is opnieuw door de Cotan beoordeeld en heeft daarom een oordeel 0 gekregen.

 

4.3  De leerachterstanden

4.3.1 Inleiding

De zgn. Normtabel 2003. In het voorafgaande (par. 2.3) is al gewag gemaakt van de problematiek rond de Normtabellen 2003. In een gesprek tussen RVC-VO Landelijk met vertegenwoordigers van het Cito, stelden de laatstgenoemden, dat er nooit een normtabel 2003 heeft bestaan. Dat men altijd de opvatting toegedaan is geweest en verkondigd heeft dat leerlingen die toetsversie moeten maken die bij hun vaardigheidsniveau past. En dat de achterliggende tabel waarover de misverstanden ontstaan zijn slechts diende om score van verschillende toetsen te vergelijken.

Conclusie moet zijn, dat er geen door Cotan beoordeelde Normtabel 2003 bestaat, dat leerlingen dus met toetsversies benaderd moeten worden die zo dicht mogelijk bij het vaardigheidsniveau van de leerling liggen. In dat perspectief is er sprake van een zeer grote coulance wanneer zij toestaat om toetsversies te gebruiken die 10 dle hoger of lager zijn.  Alhoewel hier dus niet van een verandering sprake is, leek het de commissie raadzaam hier nog eens nadrukkelijk op te wijzen.

LOVS-toetsen. Dit schooljaar zijn we ertoe over gegaan om de LOVS-toetsen in speciale gevallen toe te staan. Veel basisscholen hebben namelijk op advies van het Cito hun oude lvs-toetsen vervangen door de nieuwe LOVS-toetsen. De oude toetsen blijken niet meer voorradig. De voorlichting van het CITO in dezen is niet geheel comme il faut geweest, aangezien sommige scholen te horen hebben gekregen dat deze toetsen voor de verwijzing naar LWOO en PrO gebruikt mochten worden. Dit was echter niet het geval. De problematiek werd dermate groot dit schooljaar, dat de RVC-VO Landelijk besloten heeft om voorzieningen in de data base te treffen zodat ook de LOVS gegevens geaccepteerd en verwerkt konden worden. De vereniging meende een dergelijk besluit voor haar rekening te kunnen nemen aangezien men redelijkerwijze mocht verwachten dat de toetsen positief beoordeeld zouden worden door de Cotan. Dit werd enerzijds ingegeven door het feit dat de nieuwe toetsen qua constructie, qua toetsitems en qua normering zeer vergelijkbaar waren. Ze waren dus niet zo vernieuwend als we van een dergelijke grote ontwikkelinspanning zouden mogen verwachten. Zo werden de vragen uit het zelfde bestand geselecteerd e.d. Anderzijds hebben we de eis gesteld dat het Cito zo vlug mogelijk de procedure met de Cotan in werking zou stellen. Dit is echter niet gebeurd en het ziet er niet naar uit dat dat nog dit jaar zou gebeuren. We voelen ons als Certificeringscommissie en als RVC-VO Landelijk dan ook behoorlijk klem gezet. Er is enerzijds een praktijk ontstaan in het basisonderwijs die niet meer te stoppen is, waarbij aangetekend moet worden, dat deze basisscholen adequaat reageren op vernieuwingen op basis van hen verstrekte informatie, om reden waarvan de commissie vindt dat deze scholen en hun leerlingen niet gestraft mogen worden met veel extra testinspanningen. Anderzijds zou de Commissie en de RVC-VO Landelijk moeten afwijken van haar tot nu toe vrij strikte regel dat niet door de COTAN positief beoordeelde toetsen en tests niet op onze lijst voor mogen komen. 

Omdat we erop vertrouwen, zoals gesteld, dat de in principe zeer vergelijkbare toetsen LVS en LOVS de beoordeling van de COTAN zullen doorstaan en er dus betrouwbare gegevens over de leerlingen op basis van de LOVS in omloop zullen komen hebben we besloten de LOVS toetsen voor één jaar toe te staan. Tevens dringen we er bij het Cito op aan deze vooral ook voor hen niet fraaie situatie zo kort mogelijk te laten bestaan.

Niveautoets & NiveautoetsPlus. In alle gevallen (technisch en begrijpend lezen, spelling en rekenen) wordt de Niveautoets & NiveautoetsPlus opgevoerd. Hierbij moet opgemerkt worden dat het bij deze toets om een jaarlijks wisselende toetsversie gaat. Alleen de laatste toetsversie (die van februari 2010) is toegestaan.

4.3.2  De afzonderlijke toetsen

1. Technisch lezen

TPVO Technisch Lezen is door de Cotan positief beoordeeld en kan dus voor zowel de LWOO aanvrage als die voor het PrO gebruikt worden. Omdat we nog niet over gedocumenteerde gebruikerservaringen beschikken is voor beide leerlingcategorieën een 0 ingevoerd.

Voor Normtabel 2003, Niveautoets & Niveautoets(Plus) en LOVS toetsen:  zie Par. 4.3.1

2. Begrijpend lezen

De begrijpend leestoetsen van Aarnoutse voor groep 4 t/m 6, voor groep 7 en voor groep 8 stonden vorig jaar aangekondigd als voor het laatst op de lijst. Ten eerste is dat om dat de normen alweer aan de oude kant zijn. Ten tweede omdat al vanaf het begin de onderzoekers grote moeite hadden met doortoetsen en terugtoetsen in het geval van deze toetsen. Dit werd vooral veroorzaakt door het kleine bereik waarbinnen men het juiste dle niveau diende te bereiken. Vandaar dat  in het verleden lage beoordelingen voor zowel de LWOO (III) als PrO (IV) gegeven waren.  Tenslotte: de toetsen werden nog slechts sporadisch gebruikt. Redenen genoeg om van opname in de lijst verder af te zie

Voor Normtabel 2003, Niveautoets & Niveautoets(Plus)  en LOVS-toetsen :  zie Par. 4.3.1

3. Spelling

De Aarnoutse Spellingtest voor de basisschool is ook van de lijst afgevoerd en wel om dezelfde redenen als voor Aarnoute Begrijpend leestoetsen is gebeurd.

De Toelatingstoets voor Leerwegondersteunend en Praktijkonderwijs (Cito) is qua beoordeling bijgesteld. Vorig jaar was het zo, dat deze toets de beoordeling III meekreeg. De reden daarvan was tweeledig. Ten eerste werd de test heel weinig gebruikt (iets minder dan 1%); ten tweede lag dat aan het feit dat deze toets qua DLE gemiddeld wel een half jaar lager uitkomt (gecontroleerd voor IQ). Ondertussen is het gebruik toegenomen. Bovendien bleek in de discussie met het Cito hierover, dat dezelfde soort items als die van de lvs-toetsen werden gebruikt en ook de normering identiek was verlopen. De verschillen zijn in dat geval alleen terug te voeren op of a) een ietwat andere groep van leerlingen dan die gemiddeld met de lvs en het drempelonderzoek worden onderzocht (bijv. leerlingen die later als potentiële LWOO-leerlingen gedetecteerd zijn zoals die uit klas 1 van het vmbo: het is bekend dat basisschoolleerstof routines snel achteruitgaan in de lagere vormen van het VO) . Of op het feit dat ze onder andere omstandigheden dan gemiddeld getoetst zijn. We weten het niet. Maar laten we er maar van uitgaan, dat de merkwaardige uitslagen niet aan de kwaliteit van de toets ligt. De beoordeling is veranderd in I.

Voor Normtabel 2003, Niveautoets & NiveautoetsPlus en LOVS toetsen, zie: Par. 4.3.1.

4. Inzichtelijk Rekenen

Geen veranderingen te melden, behalve: Voor Normtabel 2003, Niveautoets & NiveautoetsPlus en LOVS toetsen, zie: Par. 4.3.1

Bron: http://www.rvc-vo.nl/regeling/lijst-van-instrumenten/

 

Home ] Up ]
Send mail to jpm.voets@orthopedagogiek.com with questions or comments about this web site.
Copyright © 1998
Last modified: 24/9/2017